logo
Nieuw Einde – Schrieversheide – Heksenberg – Beersdal – de Vrank – Rennemig – de Wieër – Passart –
Heerlerheide centrum - Versilienbosch - Weggebekker
menu1.png

KARAKTERISTIEK

Heerlerheide vormt een onderdeel van de gemeente Heerlen en is gelegen in het noordoostelijk deel daarvan. Het vormt een stadsdeel van deze gemeente naast de andere stadsdelen Heerlen-Centrum, Heerlerbaan en Hoensbroek. Uiteraard is Heerlerheide ook een part van de in Parkstad samenwerkende gemeenten, een eenheid waarin globaal gezien eerder de gemeenten van de Oostelijke Mijnstreek waren verenigd.

Ten aanzien van de toegankelijkheid zij vermeld, dat Heerlerheide te bereiken is via de A76 en vervolgens de N 281, waarna de afslag Heerlen-Noord en vervolgens de aanduiding Heerlerheide dient te worden gevolgd. Vanaf Sittard kan men binnendoor via de N276 over Doenrade-Oirsbeek-Amstenrade-Hoensbroek in Heerlerheide komen, terwijl er ook mogelijkheid is over Roermond via de Selfkant en Schinveld-Brunssum (N274).

Van oudsher is Heerlerheide aan belangrijke wegenstelsels gelegen. Historisch van belang is de ligging aan het kruispunt van de verbindingen Maastricht-Geilenkirchen en Xanten-Heerlen en verder. In de nabijheid van dit punt was de Landgraaf gelegen, een waarschijnlijke verdedigingswal uit de Romeinse tijd.

Het stadsdeel Heerlerheide is in het kader van het buurtbeheer verdeeld in de wijken Heerlerheide-Passart, Rennemig-Beersdal, Heksenberg en Vrieheide-de Stack . Overigens bestaat Heerlerheide van oudsher uit een opvallend groot aantal buurten en woongemeenschappen met een specifieke variëteit aan namen. Qua historie en praktische situatie is de wijkverdeling in het kader van het buurtgericht werk niet als logisch aan te merken.

De naam Heerlerheide betekent niet meer en niet minder: de heide van Heerlen. Een groot deel van het huidige stadsdeel bestond oorspronkelijk voor een deel uit heidegebied en bos. Het meer vruchtbare territorium was bedekt met löss en in mindere mate met beekklei. Er bestonden ook duidelijk drassige terreinen.

Per 2007 bedraagt het aantal inwoners van het stadsdeel 20.314 en is daarmee in dit opzicht nagenoeg even groot als het aangrenzende stadsdeel Hoensbroek met 20.584 inwoners. (Heerlen-stad: 39.644, Heerlerbaan: 9.995).

Godsdienstig gezien was Heerlerheide eertijds een puur katholieke gemeenschap. Kerkelijk behoorde ze oorspronkelijk tot de Pancratiusparochie Heerlen. Nadat Heerlerheide een zelfstandige parochie (St. Cornelius) was geworden – die reikte vanaf de “Kloesbaak” (begin Schelsberg) tot aan Treebeek – werd deze opgesplitst in de parochies c.q. rectoraten St. Barbara Treebeek, St. Antonius van Padua Vrank-Beersdal, Christus Koning Nieuw Einde, St. Gerardus Majella Heksenberg, H. Judas Thadeus De Wieër. Teruggelopen belangstelling en tekort aan priesters had weer inkrimpingen tot gevolg. In de tweede helft van de twintigste eeuw vestigde zich er de Nederlands Hervormde Sionskerk, die uiteindelijk weer werd opgeheven. Later kwam er nog een locatie voor samenkomst van Jehovah’s Getuigen.

De bestaande kerkgebouwen Heksenberg, Heerlerheide en Vrank zijn ongetwijfeld van monumentale betekenis zowel wat de architectuur als de aankleding aangaat. In de monumentenlijst van de gemeente Heerlen komen nog het voormalig Politiebureau (Heulsstraat) en woningen aan Rennemigstraat en Heideveldweg voor; verder nog de hoeve en herenhuis Passart en het kruis met korpus aan de Kampstraat. De aan de Kerkstraat gelegen imposante pastorie van de St. Corneliusparochie is daarin niet opgenomen. Vermelding verdienen nog de door de Oranje Nassuamijnen tot stand gebrachte z.g. Lotharinger woningen in de buurten Rennemig en Beersdal en de in de “Duitse tijd” ontstane huizen, die later de naam Maria Christinawijk werd toebedacht.

In de drie nog aanwezige katholieke kerken worden de patroonheiligen rond hun naamdag extra gevierd. Zij worden in relatie tot hun bemiddelende vermogens vereerd en aangeroepen bij problemen en ziektes. Van oudsher is in dit verband St. Cornelius bekend, die tijdens het St.Corneliusoctaaf (de week rond 16 september) nogal wat bedevaartgangers trekt en om hulp gevraagd bij o.a. zenuwziektes.

Een hecht en intensief verenigingsleven kenmerkt het vroeger wel eens Groot-Heerlerheide genoemde stadsdeel. De doelstellingen van clubs en gezelschappen zijn rijk gevarieerd. Zang, muziek, sport, cultuur, maatschappij, socialiteit, vakbond, jeugd, kerk en politiek vonden (en vinden) er allemaal plek van samenkomst en activiteit. Samenhang en volhardende voortgang worden o.a. bewezen door lokale verenigingen, die al honderd jaren en meer bestaan.

Heerlerheide kent uiteraard zijn aardigheden en eigenaardigheden Men kan er nog praktisch en visueel deelnemen aan (bronk)processies in de bestaande parochies. Naast de geëikte plaatselijke verenigingen doen daaraan nog steeds mee de soms in klederdracht gestoken vertegenwoordigers van de Poolse en Sloveense gemeenschappen. Er is nog een fiere schutterij. De op het Rheinland gestoelde karnaval viert er in een reeks van lokale verenigingen hoogtij. Een karnavalsoptocht trekt elk jaar talrijke deelnemers op en langs de weg. Ook een optocht voor jeugdige karnavallisten valt er te genieten. Er zijn de unieke verenigingen ontstaan in de vorm van een kunstwielrijdersvereniging en een schalmeiencorps. De Heerlerheidse schutterij maakt deel uit van Limburgs traditionele schuttersgildes. Te bezichtigen is er het aan de Ganzeweide gelegen “Droomkasteel”. Als een veel bezochte plek mag het z.g. nieuwe kerkhof worden genoemd, dat qua ligging, aanleg en aanzien gevoeglijk model mag staan. (Toen de gemeente in het vooruitzicht stelde, dat de teraardebestellingen in de toekomst in Imstenrade zouden moeten plaatsvinden, activeerde de Werkgroep Heerlerheide (“Heerlerheide vroeger, nu en later”) een handtekeningenactie met gunstig resultaat).

De bewoning van het gebied rond Heerlerheide is ver in de oudheid te zoeken Wat de prehistorie betreft zou Heerlerheide zelfs oudere kaarten hebben dan Heerlen (het Romeinse Coriovallum). Vondsten, teruggaand naar het Neolithicum (4000-1500 v. Chr.), op verscheidene plekken binnen het huidige woongebied leveren er de bewijzen van.

De bodem van het onderhavige gebied mag rijk van samenstelling worden genoemd. Dit heeft her en der tot geldelijke rijkdom geleid. Het vruchtbare deel van het oppervlak bracht in het verleden een grote oogst aan fruit, groente, aardappelen en graan op. De tot ver in het buitenland verkochte producten van de veestapel in de vorm van vooral pluimvee, boter en eieren zijn traditioneel. De later in een kunstig beeld vervatte “kuukekrieëmer” deed goede zaken in binnen- en buitenland. Onder het oppervlak werden megatonnen aan bruinkool en steenkool gevonden en gedolven. De ontginning van hoogkwalitatief zilverzand zet zich nog steeds voort. De bodemrijkdommen hebben de streek geen windeieren gelegd. Uiteraard heeft zulks ook tot enig roeren van de grond geleid.

De middelen van bestaan zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op oorspronkelijk aanwezige gronden, grondsoorten en grondstoffen. Afgezien van het bestaan van de er al of niet om sociale motieven opererende Bokkenrijders, die eigendommen op een ongebruikelijke manier van eigenaar lieten wisselen, hebben de Heerlerheidenaren zich in het verre verleden vanuit een burchthoeve en grotere en kleinere hoven met landbouw en veeteelt en de daaruit voortvloeiende handel bezig gehouden (De relaties van een reeks Heerlerheidse families met de Bokkenrijders kunnen en hoeven niet ontkend te worden). Vanaf het begin van de twintigste eeuw bracht de mijnbouw - in verschillende vormen - grote verandering. De meeste bewoners werden bij het delven van kool en zand ingeschakeld. Bewoners van andere Nederlandse windstreken en uit andere landen moesten in groten getale worden ingeschakeld, hetgeen tot karakteristieke situaties leidde. De multiculturele samenleving kwam evenwel redelijk gladjes tot stand.

De noodzakelijke en dus logische intrede van buitenlanders deed zich zowel vóór als na de Tweede Wereldoorlog gelden. In de oudste periode waren het vooral uit het Oosten komende werkers. Duitsers, Oostenrijkers, Polen, Slovenen en ook Italianen vestigden zich in flinke aantallen in het gebied. Aanvankelijk kwamen van ver komende arbeiders nogal eens als tijdelijke gasten in de gezinnen terecht, hetgeen wel eens tot “kostgangers-problematiek” leidde. Na genoemde oorlog waren er ook andere aanleidingen tot aanloop van nieuwe bewoners. Zo kwam een betrekkelijke grote groep van uit Indonesië afkomstigen in het gebied terecht. Naderhand vloeiden de op arbeid gerichte landslieden uit Zuid-Europa toe. Typisch is in dit verband, dat de geestelijkheid van de St. Corneliusparochie, die uiteraard oorspronkelijk uit inheemse wereldgeestelijken heeft bestaan, sinds 1995 gevormd wordt door buitenlandse priesters (behorend tot het (missie)Legioen van Christus). De integratie heeft ook in dezen een alleszins bevredigende uitwerking gehad. Eenzelfde situatie diende zich daarna in de parochie Heksenberg aan. De leiding kwam daar in handen van een pater uit India.

De aanwezigheid van drie mijnzetels in het directe woongebied (de particuliere mijnen Oranje Nassau III en IV en Staatsmijn Emma) en van Staatsmijn Hendrik in het nabije Brunssum liet zich uiterst positief gelden. De woongelegenheid nam explosief toe. Er kwamen compleet nieuwe woonwijken tot stand, die populair ook wel als kolonieën werden aangeduid. Aangepaste voorzieningen waren er voor de mijnbeambten en de hogere leidinggevenden. De duizenden nieuwe huizen beschikten over het aan de eisen destijds aangepaste wooncomfort. Later werd de woningvoorraad gedeeltelijk gesloopt en vervangen, verbeterd en uitgebreid. Stof in de lucht en mijnschade aan gebouwen werden op de koop toe genomen.

De Tweede Wereldoorlog liet uiteraard zijn sporen na. Bom- en granaatinslagen kwamen incidenteel voor. De oorlog en bezetting eisten een aantal mensenlevens. Het tekort aan levensmiddelen werd relatief ondervonden. De extra beloningen o.a. in de vorm van extra rantsoenen (“bonnen”) voor de bij de mijnen betrokkenen en de aanwezigheid van familie, vrienden, bekenden en relaties in de directe en verdere omgeving leverden enig soelaas op.

Na de sluiting van de steenkolenmijnen deelde Heerlerheide in de ontstane malaise. Werkloosheid en herplaatsing beheersten de plaatselijke situatie. Meer en meer werden werknemers bij de dienstverlening in de directe omgeving en verder af ingeschakeld. Ook in de omgeving gestarte kleinere bedrijven kwamen ten deze zeer van pas. De winkelbedrijven vooral in het centrum kregen kansen zich verder te ontwikkelen, mede omdat het aantal inwoners niet terugliep en de bestedingsmogelijkheden zich zoals in het hele land uitbreidden. Er is en wordt gepoogd de winkelgebieden in Heksenberg en Nieuw Einde hun wijkdoel te laten behouden. Vervangende werkgelegenheid heeft zich kunnen concentreren in het Industrieterrein De Koumen en het kleinere bedrijvengebied Litscherveld.

Naast de wettelijk scholen voor openbaar en bijzonder lager onderwijs c.q. (brede) bassisscholen bestond er binnen de grenzen van het stadsdeel een tweetal (M)Ulo’s of Mavo’s, later geconcentreerd in de Locatie Onderbouw van het Carboon(Emma) College. Voor middelbaar en hoger onderwijs is de jonge Heerlerheidenaar steeds aangewezen geweest op Heerlen, Hoensbroek en Sittard

Zo ongeveer sinds 1970 kwam er meer gerichte beweging in de planologie van de omgeving. Er werd een aanvang gemaakt met een meer systematische aanpak van de bebouwing. Ook werd de blik gewend op een heus maatschappelijk en economisch centrum voor het gebied. Aan het einde van de twintigste eeuw kwam er een moderne benadering door middel van een Masterplan en praktisering daarvan, uitmondend in een breed opgezet structuurplan. Een lang verbeide wens om in Heerlerheide de in het slop geraakte stedenbouw te changeren in een waar gemaakte nieuwe visie ging in vervulling door samenwerking van gemeente en woningcorporatie “Weller” (vóór enkele fusies “Heerlerheide” en “Parkstad” genaamd). Het project voorzag in de realisatie van een zorgcluster (inclusief het dertig jaren aan de Franklinlaan bestaande Zorgcentrum Ter Eyck met nieuwe voorzieningen voor verpleging, aanleun- en seniorenwoningen) , een cultuurcluster (met nieuw Corneliushuis en grand café), uitbreiding van winkelvoorzieningen en een Brede School. De onderkeldering van de Markt bevat uit twee verdiepingen bestaande parkeergarages. De bebouwing rond het centrum zal woongelegenheid bieden voor alle lagen van de gemeenschap, hetgeen een uitdrukkelijke wens van o.a. de Werkgroep Heerlerheide vormde, mede omdat door herstel van het evenwicht in de samenstelling van de bevolking economie en gemeenschap (verenigingen) optimaal.zouden kunnen functioneren. (Thans - in 2007 - zijn de plannen volop in uitvoering, waardoor na een met enig geduld gedragen overgangsperiode, een nieuwe toekomst te wachten staat). Er bestaan verder gevorderde plannen voor herinrichting en uitbreiding van diverse buurten.

Van chauvinisme zijn ook de Heerlerheidenaren niet ontbloot, hetgeen uiteraard in het algemeen niet op bezwaar hoeft te stuiten. Sommigen onder hen lieten en laten dat niet altijd op even sympathieke wijze blijken. De gemeente was het waartegen men zich niet zelden afzette. In en drietal periodes in de negentiende en begin twintigste was er zelfs min of meer ernstig streven naar onafhankelijkheid, naar afscheiding van Heerlen. Laatstelijk keek men op tegen de ontwikkeling van oorspronkelijk kleinere dorpen als bijvoorbeeld Brunssum, Schaesberg en Hoensbroek, die als zelfstandige gemeenten tijdens de opkomst van de mijnindustrie wat gemakkelijker de wind mee kregen. De “vrijheidsstrijd” liep op niets uit. Succes had daarentegen de actie van de eerder genoemde Werkgroep in de tachtiger jaren van de periode 1900 tot honorering van de naam “Heerlerheide” door vermelding op naam- en richtingborden.

Landschappelijk bezien is het gebied ruim door groen omgeven en doorsneden in de vormen van heide en bomen. De herinrichting van de mijntereinen bracht als winstpunt het in een heuvelachtig park veranderde ON III-gebied. De Schroetenbeek kreeg een nieuw ouderwets aanzien. Straten en pleinen zijn in het algemeen weldadig omzoomd met bomen en heesters. Het gebied is nogal geaccidenteerd en vindt hoogtepunten in de Heksenberg, de (afgeplatte) Heulsberg en de “Koumerberg”. Naar verhouding kent het gebied nogal wat “vijvers”, welke hun ontstaan te danken hebben aan de bruinkool- en zandwinning (overgebleven dieptes met grondwater). In het verleden werden deze vijvers wel als zwemwater en schaatsbanen gebezigd. De vijver Blankevoort is thans in particuliere handen, terwijl de vijver Heksenberg hengelgelegenheid vormt. Verwacht wordt, dat nader vrijkomende zilverzandplassen in de toekomst aan de recreatie dienstbaar zullen worden.

Hoewel het in Heerlerheide gesproken dialect uiteraard overeenkomsten heeft met het plat van de omliggende dorpen, manifesteert het zich op een eigen specifieke wijze. Het heeft een eigen woordenschat, een kernachtige spreekmanier en verschilt in klank en diftongering principieel van bijvoorbeeld het Heerlens, Brunssums, Sittards en Valkenburgs. Er kan rond Heeerlerheide van taalgrenzen gesproken worden.

Uiteindelijk lijkt het er sterk op, dat door het eerder geschetste, door voorbeeldige privaat-publiekrechtelijke samenwerking en ruime inspraakmogelijkheden tot stand gekomen plan Heerlerheide in zijn zelfbewustzijn geschraagd zal worden. Waarvoor erkentelijkheid op zijn plaats is.

Otto Vandeberg.

 

  
  
stadsdeel heerlerheide
Heksenberg Boulodrome Heerlerheide centrum nieuw einde Rennemig